NS-trein en Arriva-trein halteren op Nijmegen

Rechter doet geen uitspraak over aanbesteding hoofdrailnet na 2024

De vraag blijft voorlopig onbeantwoord of het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de hoofdrailnetconcessie onderhands mag gunnen aan NS. De voorzieningenrechter in Den Haag heeft zich hier niet inhoudelijk over uitgesproken in een kort geding dat werd aangespannen door de regionale vervoerders Arriva, Transdev, Qbuzz, Keolis en EBS, verenigd in de Federatie Mobiliteitsbedrijven Nederland (FMN).

Volgens de vervoerders is de onderhandse gunning in strijd met Europese regelgeving. De voorzieningenrechter zegt op dit moment niet te kunnen vaststellen of dit het geval is. “Het is aan het Hof van Justitie van de EU om uiteindelijk te beslissen over de interpretatie van een EU-verordening.” De onderbouwing van de vervoerders biedt volgens de rechter te weinig houvast om ‘vergaande oordelen’ te vellen in het kort geding.

Als bij het Europees Hof blijkt dat de onderhandse gunning niet rechtmatig is, ligt het volgens de rechter voor de hand dat dat staatssecretaris Stientje van Veldhoven haar voornemen wijzigt. Spoorvervoerders uit Tsjechië, Spanje en Duitsland en ALLRAIL, de belangenorganisatie voor nieuwkomers in het Europese spoorvervoer, voegden zich bij de zaak.

Regeerakkoord

Een klein half jaar geleden maakte Van Veldhoven bekend dat de concessie voor het hoofdrailnet na 2024 opnieuw naar NS gaat. Aanbesteden zou ‘zeer complex en risicovol’ zijn en nadelig kunnen uitpakken voor de reiziger en belastingbetaler. Ze wees er ook op dat de prestaties van NS goed zijn. Haar besluit werd tijdens het debat over spoorordening einde zomer gesteund door de Tweede Kamer.

Vanuit de OV-sector kwam echter van zowel voor- als tegenstanders kritiek. De decentrale vervoerders pleiten al langer voor meer marktwerking en noemden het kabinetsvoorstel een stap achteruit. Door decentralisatie van regionale spoorlijnen op de lange baan te schuiven, zou het kabinet de regionale reiziger links laten liggen en beloftes uit het Regeerakkoord niet waarmaken. NS en vakbond FNV stelden juist dat met het besluit nog te veel ruimte wordt overgelaten voor marktwerking.

In het Regeerakkoord werd in 2017 gesproken over decentralisatie van vier regionale spoorlijnen, maar voor 2025 wordt alleen ingezet op de sprinterdienst Leeuwarden-Zwolle. Verder wordt gekeken naar de mogelijkheden voor concurrentie op andere regionale lijnen en internationale verbindingen, terwijl het hoofdrailnet bij NS blijft. Dit is volgens FMN in strijd met Europese regelgeving en daarom stapten de regionale vervoerders naar de rechter.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Regionale treinen van Arriva en Syntus

Aanbesteden, tenzij

Een belangrijkste doelstelling van het Vierde Spoorwegpakket is meer marktwerking op het spoor in alle lidstaten van de Europese Unie. Uitgangspunt wordt ‘aanbesteden, tenzij’. Onderhandse gunning blijft mogelijk, maar hiervoor gelden vanaf vanaf 25 december 2023 wel striktere voorwaarden. Van Veldhoven baseerde haar besluit overigens op het bestaande regime, schreef ze een half jaar geleden aan de Tweede Kamer, omdat de nieuwe voorwaarden nog niet zijn uitgekristalliseerd.

Daarmee voorkomt de staatssecretaris naar eigen zeggen mogelijke onzekerheid en instabiliteit. “In de komende concessieperiode kan vervolgens meer duidelijkheid worden verkregen over de nieuwe Europese voorwaarden om een toekomstbestendige strategie voor Nederland te kunnen bepalen.” In 2023 volgt een definitief besluit over de concessieverlening.

Dertien maanden

De vijf regionale vervoerders betoogden bij de rechter dat het ministerie de hoofdrailnetconcessie welbewust voor eind 2023 al onderhands aan NS gunt, om zo de nieuwe regels te kunnen omzeilen. De Europese regelgeving geeft volgens de voorzieningenrechter geen uitsluitsel of in dit geval moet worden gekeken naar het moment waarop de gunningsbeslissing wordt genomen, of naar de datum waarop de concessie aanvangt.

Als het definitieve besluit eind 2023 valt, bedraagt de termijn tot de start van de concessie ten minste dertien maanden. Dit is volgens het ministerie nodig om noodzakelijke voorbereidingen te treffen. De regionale vervoerders betwisten of dit een gebruikelijke termijn is en wijzen erop dat deze periode bij de huidige concessie slechts zeventien dagen bedroeg. Ook hierover geven de Europese regels geen uitsluitsel.

Niet onaannemelijk

Alles bij elkaar is de onderbouwing van FMN vooralsnog ‘niet onaannemelijk’ volgens de rechter, maar vanwege de vergaande gevolgen onvoldoende voor een inhoudelijk oordeel. Het Europees Hof van Justitie is nu aan zet om duidelijkheid te verschaffen.

“Op basis van het vonnis zullen wij de Staat vragen om de vereiste verduidelijking bij Europa te gaan halen. Dat is het logisch vervolg op de uitspraak van de rechter”, aldus FMN. De federatie gaat ervan uit dat het ministerie hier opvolging aan geeft. “Dat de rechter ook meldt, dat een kort geding niet de setting is om een vergaand oordeel te vellen over de onverenigbaarheid met het Europese recht, doet aan die opdracht van de kortgedingrechter niet af.”

Lees ook:

Auteur: Dylan Metselaar

Reageer ook

Nog maximaal tekens

Log in via een van de volgende social media partners om je reactie achter te laten.